Verantwoording

This is no work of mine, schrijft Kipling in een van zijn eerste Indiase verhalen, the Gate of the Hundred Sorrows, over de dagelijkse besognes van een opiumschuiver. Het was niet van hem, beweerde hij, het was hem verteld.
In zekere zin geldt dat ook voor de verhalen in deze bundel. Voor het merendeel zijn ze ontstaan in de tijd dat ik als radiojournalist rondtrok in de oostelijke mijnstreek, vaak vergezeld van een chauffeur die me door de studio werd meegegeven. In zijn zwarte Chevrolet toerden we rond, de mijnen werden gesloten en de mensen die we onderweg ontmoetten praatten honderduit, in een poging het verleden alsnog het zwijgen op te leggen.

Het is lang geleden maar nog altijd beschik ik over een zekere gevoeligheid voor de taal van mijn toenmalige gesprekspartners. Hun luidruchtige grootspraak en lyrische ontboezemingen zijn in mijn hoofd gaan zitten. Ik hoef me hen maar voor de geest te halen en ze beginnen vanzelf te praten. Hun steenkolennederlands is verwant aan het steenkolenengels dat Kipling zijn Indiërs in de mond legde, een spreektaal, een kunsttaal, gevormd tot iets daar tussenin.

De oude Borges vond die Kiplingse jongelingswerken geweldig, meesterwerken van lakoniekheid, hij meende dat hij ze op zijn oude dag straffeloos mocht imiteren. Het spreekt me om meerdere redenen aan, ten eerste vanwege die oude dag en de ongegeneerde vrijheid die hij waarborgt en ten tweede omdat het begrip lakoniek me bevalt, beter dan ironisch of cynisch of pathetisch of sentimenteel.

Deze verhalen zijn constructies, hun hoofdpersonen spreken maar ze spreken door mij, ik heb hun woorden verdraaid, hun namen veranderd, hun geschiedenissen in scène gezet.
Ach weet u, this is no work of mine, het is me overgeleverd, pas daarna heb ik het bedacht.

julesdister.nl Copyright © 2015